Het bedrijf


Voor een ondernemer is het zaak op tijd de bakens te verzetten. Zo legde het huidige Wijnhout Koomen sinds de oprichting in de jaren vijftig het accent van veenhouderij via blombollen naar vaste planten. Drie jaar geleden besloten Henk Wijnhout en Paul Koomen zich volledig in vaste planten te specialiseren. Een spannende tijd brak aan, maar inmiddels hebben ze de zaak goed op de rails. ‘Dit is een heel ander bedrijf geworden.’

 

Willem Wijnhout startte zijn agrarische onderneming zo halverwege de vorige eeuw. Hij hield varkens en koeien, later kwamen daar ook bloembollen, wat vaste planten en zaaigoed bij. De locatie in Lisserbroek werd te klein, dus verhuisde het bedrijf zo’n dertig jaar geleden naar de Veenenburgerlaan in Hillegom. Daarmee werd tevens afscheid genomen van het vee en kwam het accent te liggen op bloembollen en vaste planten, op de moment respectievelijke zo’n vijftien en vijf hectare. Zoon Henk Wijnhout werk al vanaf zijn vijftiende mee in het bedrijf. “Ik wilde dit al toen ik zeven jaar was. Na de tuinbouwschool begon ik meteen met een eigen partij bollen.”Paul Koomen is niet opgegroeid op een agrarisch bedrijf, maar werkte in zijn vrije tijd altijd al in de sector. Na de middelbare school kwam hij bij Steenvoorden terecht, waar hij kennismaakte met Yvonne Wijnhout, de zus van Henk. Na het overlijden van vader Willem Wijnhout, zette Henk en Paul het bedrijf samen voort, onder de naam wijnhout Koomen. Op een gegevig moment besloten de zwagers te stoppen met de bollenteelt om zich volledig ote kunnen richten op vaste planten. “De combinatie zorgde voor veel drukte, we konden nergens honderd procent onze aandacht aan geven. De handel en teelt in vaste planten liep goed, we hadden een mooie klantenkring opgebouwd. Daarin hebben we ons dan ook gespecialiseerd. De bollen hebben we in een periode van drie jaar afgebouwd.”Inmiddels teelt wijnhout Koomen veertien hectare vaste planten in Hillgeom en zo’n zes hectare in Drente. Het pakket is breed – van geranium tot pioen – maar de nadruk ligt op Astilbe “Wij werken voor een deel met kwekers rechtelijk beschermde soorten van Future Plants en Inspiration Plants.”

 

Geven en nemen

De samenwerking tussen de zwagers is gebaseerd op duidelijke afspraken. “We hebben elk zo onze eigen taken”, verteld Henk. “Paul regelt de administratieve kant, het vervoer naar de klanten en het wieden, terwijl ik het werk organiseer en de mensen aanstuur. De in- en verkoop doen we samen.”Over de voorwaarden voor een succesvol compagnonschap: “je hebt elkaar nodig, dat is de basis. Verder moet je elkaar blindelings kunnen vertrouwen. En als er ets is, moet dat gewoon uitgesproken worden. Bovendien moet je niet al te moeilijk doen, samenwerking is geven en nemen. Er is wel eens wat, maar dat lossen we altijd weer op.”de constructie van Wijnhout Koomen is zodanig opgezet dat het bedrijf vrij eenvoudig opgesplitst kan worden. “Je gaat er niet vanuit dat het nodig is, maar je weet nooit wat er in de toekomst gebeurt. Mocht het allemaal fout lopen, dan hebben we het goed geregeld.”De zwagers zijn zich er terdege van bewust dat zij de tweede generatie in de familie bedrijf vertegenwoordigen. En hoewel vader willem er niet in levende lijve bij is, hebben ze toch het gevoel dat hij over hun schouders meekijkt. “Je wilt het zo goed mogelijk doen. Niet alleen voor hem, maar natuurlijk ook voor jezelf. Overigens is dit inmiddels een heel ander bedrijf geworden, zeker nu we ons volledig richten op vaste planten verder hebben we natuurlijk een flinke groei doorgemaakt. Zo hebben we nog niet zo lang geleden een schuur gebouwd voor het koelen, spoelen en opslaan van producten, die ruimte biedt aan zo’n duizend kuubkisten. De planten gaan van het land af de nieuwe schuur in., de verwerking gebeurt nog in de oude schuur. Hiervoor hebben we onlangs geïnverteerd in een moderne sorteermachine die een hoog rendement en verbeterde kwaliteit biedt.”Wijnhout Koomen heeft vier vaste medewerkers in dienst, in het seizoen komen daar zo’n dertig tijdelijke krachten bij.

 

De ondernemer verwekt per jaar zo’n zes miljoen vaste planten. Afnemers zijn voornamelijk exporteurs die zich op de Amerikaanse markt richten. “Dit is veel al relatiehandel. Wij hebben veel contacten met exporteurs en weten vaak ver van te voeren wat zij gaan afnemen. Op die manier kunnen we gericht produceren. Zo’n tachtig tot negentig procent van wat wij telen, is al verkocht. Wij voelen er niet zo veel voor om in het wilde weg te telen op het gevaar af dat je er vervolgens mee blijft zitten. Exporteurs komen regelmatig bij ons langs om het sortiment te bekijken en zo zien hoe het gewas erbij staat. Het bedrijf en het gewas moet er dan ook altijd netjes bij staan, dat is je visite kaartje. Verder kiezen wij er bewust voor om het materiaal zelf af te leveren. Zo houden we steeds contact.”De compagnons erkennen dat het imago van de Nederlandse vaste plant niet overwegend positief is in Amerika. “Voordat een Nederlandse plant naar Amerika mag, moet hij gespoeld en gekookt worden, en daarna nog een flinke reis maken. Dat komt de kwaliteit niet ten goede. De lokale teelt heeft wat dat betreft een voorsprong. Door aparte producten te telen, goede maten, voldoende aantallen en uniformiteit te leveren in een goede prijs-kwaliteitverhouding, proberen wij ons op die markt te onderscheiden. Belangri9jk is ook dat je op tijd levert, die boot moet varen. De export moet op je kunnen rekenen.

 

Rekensommetje

Juist op het moment dat wijnhout Koomen besloot zich volledig op de vaste planten te richten en daar flink in te inversteren, zette de economische dip zich in. “We hebben onszelf best wel eens achter de oren gekrabbeld of we de juiste keuze hadden gemaakt. Uiteindelijk zijn we juist de afgelopen drie jaar enorm gegroeid en hebben we – bijvoorbeeld door te investeren in mechanisatie – de kosten weten terug te dringen. Dat betaald zich nu terug.”Groei is voor de komende tijd dan ook geen aandachtspunt. “we willen ons vooral toeleggen op verdieping, verbetering van de kwaliteit, het binnenhalen van betere soorten en nog beter inspelen op de marktvraag.”Geen groei wil echter niet zeggen dat er niet meer geïnvesteerd zal worden. “soms moet je investeren om tot verbetering te komen. Het blijft een rekensommetje.” Ze verwachten dat het met de vaste planten op termijn dezelfde kant op zal gaan als met de bollen, zeker als het gaat om de aspecten grootschalig en rendement. “Je moet een bepaalde omvang hebben om rendabel te kunnen draaien, of je moet een zeer speciaal product kunnen leveren. Wij proberen daarin een mix te vinden.”problemen die de branche ondervindt, spelen zich vooral af op het terrein van virussen. “Aaltjes vormen een groot probleem. Bij de keuze van nieuwe soorten letten we er steeds meer op of ze goed te ontsmetten zijn en gekookt kunnen worden.” Van de milieuwet- en regelgeving ondervinden ze nauwelijks enige hinder. “Wij spuiten niet tegen onkruid omdat we denken dat ’t beter is voor het gewas. Bovendien zijn middelen duur. Als we al spuiten, is het in de laagst mogelijke dosering, Verder maken we ons eigen compost en dat bevalt goed. We zijn gestopt met injecteren, en gebruiken juist middelen om het bodemlevel te stimuleren. Dat levert een beter product op en bespaart flink wat kosten. Dat het milieu erbij gebaat is, is mooi meegenomen.”

 

De partners van Henk en Paul = beide Yvonne genaamd = nemen de administratie en boekhouding voor hun rekening. “Dat gaat goed. Wij houden dat liever in eigen hand, dat is vertrouwd.”Ze erkennen heel wat uren te maken voor de onderneming, maar de tijd dat ze van ’s ochtends vroeg tot ’s avonds laat buffelden is voorbij. “De praktijd leert dat het niet wrkt. Na een bepaald aantal uren zijn mensen gewoon minder productief, het heeft geen enkele zin om dn nog door te gaan. Nu we ons volledig richten op vaste planten hebben we wat meer tijd gekregen, en kunnen we af en toe ook eens op vakantie.”Het bedrijf geeft de ondernemers veel voldoening. “Het is mooi om te zien wat je hebt opgebouwd”, vindt Henk. “Ik zou niet voor een baas kunnen werken. Henk laat zich niet sturen, die stuurt zichzelf. Verder vind ik dat we met een prachtig product werken, dat groeit en bloeit.” “als je door een veld loopt dat er mooi bij staat, doet dat je enorm veel plezier”, vult Paul aan. “Ik ben graag buiten, in de natuur. Verder ben je als ondernemer redelijk zelfstandig, je kunt di9ngen naar eigen inzicht doen, bezig zijn met nieuwe ontwikkelingen, steeds bedenken hoe het beter kan. Geen dag is hetzelfde.”Dat hun kinderen in de toekomst wellicht de derde generatie in het bedrijf zullen vertegenwoordigen, houdt ze nog niet bezig. “Ze moeten vooral gaan doen wat ze leuk vinden. Liefde voor dit vak kun je niet afdwingen. Dat heb je, of dat heb je niet.”

Artikel uit BloembollenVisie 14 oktober 2004, nummer 47, pagina 15